Kern: Voorrang van de tram: drie uitzonderingen, geen almacht
Uitzondering 1 geldt op een gelijkwaardig kruispunt (geen borden/lichten die de voorrang regelen); uitzonderingen 2 en 3 gelden waar de tram afslaat, tenzij borden de voorrang anders regelen: 1. De tram komt van links — het omgekeerde van de gewone rechts-regel. 2. De tram buigt af, terwijl jij op dezelfde weg rechtdoor gaat. 3. De tram wil linksaf een weg inrijden, terwijl jij rechtsaf diezelfde weg inrijdt. Buiten deze drie situaties is de tram niet almachtig: op een voorrangsweg gelden de gewone voorrangswegregels, geen bijzondere tramvoorrang. En een afbuigende tram gaat NIET voor op een voetganger die op een oversteekplaats oversteekt (Boek p.113).
Vragen over dit onderdeel
Alle onderdelen van dit onderwerp
- Uitdaging: Voorrang van de tram: drie uitzonderingen, geen almacht
- Het model: Voorrang van de tram: drie uitzonderingen, geen almacht
- Waarom dit telt: Voorrang van de tram: drie uitzonderingen, geen almacht
- Test jezelf: Voorrang van de tram: drie uitzonderingen, geen almacht
- Leg het uit: Voorrang van de tram: drie uitzonderingen, geen almacht
- Onthoud: Voorrang van de tram: drie uitzonderingen, geen almacht