Uitdaging
Veel cursisten redeneren 'wie vertrekt heeft toch al plek gemaakt', en laten in gedachten de invoeger voorgaan. De CBR-examenmaker rekent op precies die intuïtieve, maar omgekeerde, aanname: de praktijkregel wijst de andere kant op, en wie dat mist, mist ook waarom dat zo is.
Lees dit onderdeel apart: Uitdaging: Weven en ritsen: wie laat wie voor, en de 300/50-meterregel
Het model
Andersom: de invoeger laat de uitvoeger voorgaan (Boek p.153) — omdat invoegers langzamer rijden en meer overzicht hebben. Bij ritsen geldt een eigen ritme: op 300 meter voor de versmalling past u uw snelheid aan, en pas op 50 meter voegt u daadwerkelijk in, zonder afremmen, één bestuurder per keer (Boek p.154-155).
Lees dit onderdeel apart: Het model: Weven en ritsen: wie laat wie voor, en de 300/50-meterregel
Kern
Wettelijk moeten invoegers en uitvoegers elkaar voor laten gaan — het is een wederzijdse regel op papier (Boek p.153). Maar omdat invoegers vanaf de invoegstrook nog langzamer rijden dan het doorgaande verkeer, en bovendien meer ruimte en overzicht hebben om te wachten, is het in de praktijk veiliger — en daarom vanzelfsprekend — dat de INVOEGERS de UITVOEGERS voor laten gaan, niet andersom. Ritsen speelt zich af bij een versmalling van twee rijstroken naar één, en volgt een vast ritme met twee afstanden (Boek p.155): op ongeveer 300 meter voor de versmalling past u uw snelheid al aan aan het verkeer op de aangrenzende, doorgaande strook. Pas op circa 50 meter voor de versmalling voegt u daadwerkelijk in, zonder af te remmen en zonder het verkeer te verstoren — u glijdt in een ruimte die er al is, u perst zich er niet doorheen. Daarbij geldt een afspraak over de volgorde (Boek p.154): elke bestuurder op de doorgaande rijstrook laat telkens ÉÉN bestuurder van de gestremde rijstrook voorgaan — niet twee of meer achter elkaar. Dat is wat 'ritsen' letterlijk betekent: de tanden van een rits sluiten ook één voor één. Een laatste nuance die het boek zelf noemt (Boek p.155): u moet wel ver doorrijden op de rijstrook die eindigt — vroeg invoegen is geen deugd hier — maar té ver doorrijden en dan pas op het laatste moment invoegruimte opeisen, is irritant voor andere weggebruikers. Gebruik de hele strook, maar overdrijf niet.
Lees dit onderdeel apart: Kern: Weven en ritsen: wie laat wie voor, en de 300/50-meterregel
Waarom dit telt
Bij Grijpskerke, waar de N-weg versmalt vlak voor een brug, ontstaat precies daar file als iedereen te vroeg invoegt: de rijstrook die eindigt wordt onnodig leeg gelaten, terwijl de doorgaande strook dichtslibt. En wie de weefrichting omdraait — uitvoegers laten wachten in plaats van invoegers — dwingt een langzamere bestuurder tot een abrupte manoeuvre op precies het punt waar het overzicht al het kleinst is.
Lees dit onderdeel apart: Waarom dit telt: Weven en ritsen: wie laat wie voor, en de 300/50-meterregel
Test jezelf
Bij Nieuwvliet rijdt u op de doorgaande rijstrook van de N33, terwijl er tegelijk een uitvoeger de afrit op wil en een invoeger vanaf de oprit wil aansluiten. Wie laat, in de praktijk, wie voorgaan?
Toon het antwoord
Andersom: de invoeger laat de uitvoeger voorgaan (Boek p.153) — omdat invoegers langzamer rijden en meer overzicht hebben. Bij ritsen geldt een eigen ritme: op 300 meter voor de versmalling past u uw snelheid aan, en pas op 50 meter voegt u daadwerkelijk in, zonder afremmen, één bestuurder per keer (Boek p.154-155).
Veelgestelde vragen
‘Bij het weven laten uitvoegers de invoegers voor laten gaan, omdat uitvoegers toch al van plan zijn de snelweg te verlaten’ – klopt dat?
Nee. Omdat invoegers langzamer rijden en meer ruimte en overzicht hebben, is het juist andersom: invoegers laten de uitvoegers voor laten gaan
‘Bij ritsen voegt u het beste zo vroeg mogelijk in, zodra u ziet dat uw rijstrook eindigt’ – klopt dat?
Nee. Gebruik alle beschikbare ruimte tot de versmalling: op 300 m snelheid aanpassen, pas op circa 50 m daadwerkelijk invoegen
‘Bij ritsen mogen meerdere bestuurders van de gestremde rijstrook achter elkaar invoegen voordat het doorgaande verkeer weer aan de beurt is’ – klopt dat?
Nee. De afspraak is dat elke bestuurder op de doorgaande rijstrook telkens ÉÉN bestuurder van de gestremde rijstrook voor laat gaan — niet twee of meer achter elkaar
‘Bij ritsen hoeft u uw snelheid pas aan te passen vlak bij de versmalling zelf; de 300 meter ervoor kunt u gewoon blijven rijden zoals u deed’ – klopt dat?
Nee. Al op ongeveer 300 meter voor de versmalling past u uw snelheid aan aan het aangrenzende verkeer; pas op circa 50 meter voegt u daadwerkelijk in
‘Bij ritsen mag u zo ver mogelijk doorrijden op de eindigende strook en dan pas op het allerlaatste moment ruimte opeisen, zonder dat daar iets mis mee is’ – klopt dat?
Nee. U moet wel ver doorrijden op de eindigende strook, maar té ver doorrijden en dan invoegruimte opeisen is irritant voor andere weggebruikers