Kern: Slepen van een gestrande auto
De sleepregels uit Boek p.169 draaien om drie punten. Ten eerste de kabel: een deugdelijke sleepkabel, bevestigd op de bevestigingspunten die daarvoor bedoeld zijn, met maximaal 5 meter tussen de voertuigen, en altijd strak gehouden — juist omdat de kabel gespannen moet blijven, remt de achterste bestuurder net iets meer af dan de voorste, anders loopt hij op de kabel in. Ten tweede de bestuurder van het gesleepte voertuig: omdat de motor uit staat, werkt de stuurbekrachtiging niet en voelt sturen onverwacht zwaar aan. Laat daarom bij voorkeur de meest ervaren bestuurder dat voertuig besturen; beide bestuurders hebben sowieso een geldig rijbewijs nodig. Ten derde de route: u sleept maar één voertuig tegelijk, en u verlaat de autoweg of autosnelweg zo snel mogelijk. Het boek noemt hier geen exacte maximumsnelheid en geen verplichting om de alarmlichten van beide voertuigen aan te zetten — die twee punten blijven in deze les onbesproken totdat ze apart zijn nagetrokken.