Theory Mastery

Kern: Brug en tunnel: zijwind, bruglicht, en de tunnel-noodprocedures

Op bruggen en viaducten kunt u last hebben van zijwind, vooral buiten de bebouwde kom op hoge bruggen en boven groot open water — een bord met een windzak (J31) kan dit aankondigen (Boek p.97). Diezelfde locaties worden bij vorst sneller glad dan gewone wegen, omdat de wind er ook onderdoor komt en het wegdek sneller afkoelt. Het bruglicht zelf kent één simpele regel: brandt het rode licht óf knippert het, dan stopt u, zet u de motor uit, en wacht u tot het licht gedoofd is (Boek p.97) — de toestand van het licht (vast of knipperend) maakt voor uw gedrag geen verschil. Bij een tunnel informeren drie borden u vooraf: L13 toont de tunnellengte, maar alleen bij tunnels langer dan 250 meter; C22 met een letter geeft aan welke gevaarlijke stoffen niet door mogen; K14 wijst dan de omleidingsroute voor die stoffen (Boek p.98). Vlak voor de tunnel doet u het dimlicht aan — ruim van tevoren, niet pas in de tunnel, anders denken achterliggers dat u remt — en zet u een eventuele zonnebril af (Boek p.99). Bij pech in een tunnel probeert u er eerst uit te komen; lukt dat niet, dan parkeert u zo ver mogelijk rechts, zet u de alarmlichten aan, en loopt u — nooit de rijbaan overstekend — langs de tunnelwand in de rijrichting naar de dichtstbijzijnde hulppost (Boek p.99-100). Bij brand aan uw eigen voertuig parkeert u zo dicht mogelijk tegen de wand, zet u de alarmlichten aan, keert u nooit om en rijdt u nooit achteruit, laat u de sleutel in het contact zitten, en verlaat u de tunnel lopend via de dichtstbijzijnde nooduitgang (Boek p.100).

Onderwerp: Brug en tunnel: zijwind, bruglicht, en de tunnel-noodprocedures

Vragen over dit onderdeel

Alle onderdelen van dit onderwerp

Verwante onderwerpen

Open in de app