Uitdaging
De naam 'tram/buslicht' klinkt alsof het maar voor twee voertuigtypes is. De CBR-examenmaker weet dat u die naam letterlijk neemt — en test juist de bestuurder die toevallig, en toegestaan, op diezelfde baan rijdt. Vier bijzondere lichten, vier eigen regels: tram/bus, overweg, brug, rijstrook.
Lees dit onderdeel apart: Uitdaging: Bijzondere lichten: tram/bus, overweg, brug en rijstrook
Het model
Tram/buslicht: wit=ga, geel/rood=stop — en geldt ook voor u als u rechtmatig op die busbaan rijdt. Overweglicht: wit knipperend=geen trein, rood knipperend=stop. Bruglicht: rood(knipperend)=stop. Rijstrooklicht: groene pijl=volgen, witte pijl=voorwaarschuwing, rood kruis=niet volgen.
Lees dit onderdeel apart: Het model: Bijzondere lichten: tram/bus, overweg, brug en rijstrook
Kern
Het tram/buslicht geldt voor tram- en lijnbusbestuurders die de aangegeven richting volgen, maar TEVENS voor bestuurders van andere voertuigen die rechtmatig diezelfde busbaan of busstrook gebruiken — de naam dekt niet de volledige reikwijdte. Bij een overweg draait de intuïtie om: wit knipperend betekent 'er nadert geen trein', u mag dus door; alleen rood knipperend is stop. Bij een brug is het simpeler: rood of rood knipperend is altijd stop, zonder de wit-knippert-mag-nuance van de overweg. Bij rijstrooksignalering (ook wel matrixbord genoemd) is de witte pijl — niet een gele — de voorwaarschuwing voor een rood kruis; het rood kruis zelf verbiedt de strook volledig, ook bij file. Een fietslicht in dit hele systeem blijft apart: dat geldt alleen voor fietsers, bromfietsers op een fiets/bromfietspad en gehandicaptenvoertuigen.
Lees dit onderdeel apart: Kern: Bijzondere lichten: tram/bus, overweg, brug en rijstrook
Waarom dit telt
Deze lichten sturen fysiek verschillende risico's aan: een gemiste rode overweglicht kan een botsing met een trein betekenen; een genegeerd rood kruis op de A12 bij Apeldoorn in de spits verandert een gesloten strook in een verrassing voor de bestuurder achter u. Het zijn geen decoratieve varianten van het gewone verkeerslicht — elk regelt een eigen, levensechte situatie.
Lees dit onderdeel apart: Waarom dit telt: Bijzondere lichten: tram/bus, overweg, brug en rijstrook
Bron: RVV 1990 art. 70 · RVV 1990 art. 71 · RVV 1990 art. 72 · RVV 1990 art. 73 · RVV 1990 art. 74 · gecontroleerd 2026-10-22
Veelgestelde vragen
‘Tram/buslichten gelden alleen voor trams en lijnbussen; andere voertuigen mogen ze negeren’ – klopt dat?
Nee. Tram/buslichten gelden TEVENS voor bestuurders van andere voertuigen die rechtmatig een busbaan of busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft. Rijdt u toegestaan op die baan, dan geldt het licht ook voor u
‘Bij een overweg betekent een wit knipperlicht dat er gevaar is en u moet stoppen’ – klopt dat?
Nee. Een wit knipperlicht bij een overweg betekent juist: er nadert geen trein, u mag doorrijden. Alleen het rode knipperlicht betekent stop
‘Een rood kruis boven een rijstrook betekent dat u die strook wel mag gebruiken als het druk is en de andere stroken vast staan’ – klopt dat?
Nee. Een rood kruis betekent dat de rijstrook NIET mag worden gebruikt, punt. De vluchtstrook mag alleen in echte noodgevallen (pech, ongeval) gebruikt worden, niet bij gewone drukte
‘Een geel knipperende pijl schuin omlaag is bij rijstrooksignalering de voorwaarschuwing voor een rood kruis’ – klopt dat?
Nee. De voorwaarschuwing voor een rood kruis is een WITTE pijl, geen gele. Kleurcodes verschillen per teken-systeem
‘Bij voetgangerslichten betekent groen knipperend dat voetgangers niet meer mogen beginnen over te steken’ – klopt dat?
Nee. Groen knipperend betekent juist dat oversteken nog mag; het waarschuwt alleen dat het rode licht spoedig verschijnt. Pas bij rood mag niet meer begonnen worden